Europese CO2-prijs steeg in 12 maanden 6 keer harder dan bitcoin

Antonio Lainez, via Unsplash Public Domain

Het gaat ‘goed’ met de Europese CO2-prijs. De marktprijs voor het recht om een ton CO2 uit te stoten, stijgt vooral de afgelopen weken snel. Spannend, net nu de hete aardappel van een CO2-bodemprijs op het bordje van de politiek ligt.

Wat nu met de CO2-bodemprijs?

Op donderdag 7 september 2017 koste het € 6,80 om een ton CO2 de lucht in te blazen. Afgelopen vrijdag tikte de CO2-prijs een voorlopig hoogtepunt van € 23,20 per ton aan. Een stijging van 240 procent.

Ter vergelijk; op 7 september 2017 koste een bitcoin $ 4.638. Dat is in dezelfde periode ‘slechts’ 38 procent opgelopen, tot $ 6,396. Wie twaalf maanden geleden all-in ging op CO2-rechten heeft ruim zes keer meer rendement gemaakt dan wie op hetzelfde moment alle spaarcenten in bitcoin heeft gestort.

De onzichtbare hand van de CO2-markt

Kolen- en gascentrales, staalfabrieken, cementovens en andere grote CO2-bronnen zijn binnen de EU verplicht om voor elke ton CO2 die zij uitstoten een emissierecht te vernietigen. Binnen het Europese Emissions Trading System (EU-ETS) is er jaarlijks een begrenst aantal van deze emissierechten te vergeven. Het ‘uitstootplafond’ daalt jaar op jaar geleidelijk, om zo schaarste te creëren en in alle betrokken sectoren emissiereductie af te dwingen.

Het handelssysteem laat aan de ‘vervuilers’ op elk moment de keus de eigen CO2-uitstoot omlaag brengen (en toegekende CO2-rechten te verkopen) of de actuele prijs voor de uitstoot te accepteren. Zo ontstaat dankzij marktwerking precies de juiste prikkel om tot het eind van de klimaattransitie altijd de op dat moment goedkoopste CO2-reductie te realiseren. Dat maakt emissiehandel de sympathieke optie om klimaatbeleid af te dwingen.

Handel is populairder dan belasting

Het belangrijkste alternatief voor emissiehandel, CO2-belasting, is een bottere bijl. Aan zo’n belasting is niet inherent een uitstootplafond gekoppeld. Elke uitgestoten ton CO2 kost precies evenveel.

Een belasting maakt ‘het product’ CO2-uitstoot kortom duurder, niet schaarser. Een CO2-belasting valt zo per ton gerealiseerde CO2-reductie voor de producenten en (dus) voor consumenten welhaast zeker duurder uit dan emissiehandel.

Waar ligt de piek, en is die hoog genoeg?

Een hoge prijs is dus niet het doel van het ETS maar de € 3 tot € 8 per ton waar de markt van 2012 tot begin 2018 tussen bleef steken, was absoluut onvoldoende om de grote producenten tot structurele uitstootreductie te motiveren.

‘Bewijs dat emissiehandel werkt’

Voor de voorstanders van emissiehandel, die het ETS ondanks grote kritiek bleven verdedigen, is de recente CO2-prijsstijging dus een opsteker. De druk op de politiek om aanvullende maatregelen te nemen, zwakt af.

Ook de € 23 per ton van vrijdag is echter nog verre van afdoende. Een kolencentrale die per geproduceerde kilowattuur (kWh) ±800 gram CO2 uitstoot, tikt per kWh 1,9 ct af voor de CO2. Een gascentrale die ruim de helft minder uitstoot (±350 gr/kWh) betaalt per opgewekte kWh slechts 1 ct minder aan CO2.

Als steenkool als brandstof substantieel goedkoper is dan gas, zoals dat de afgelopen jaren is geweest, nemen energieproducenten de licht hogere CO2-kosten voor lief. Dan blijven de klimaatvriendelijkere gascentrales nog altijd ‘in de mottenballen‘ staan. Kenners van de markt geven aan dat de CO2-prijs op korte termijn tussen de € 40 en € 80 per ton moet komen om echt bij te dragen aan de Europese klimaatdoelen.

De onzekerheid van de markt

Het grote voordeel van het handelssysteem is ook meteen zijn achilleshiel. De prijs van de CO2 rechten is puur afhankelijk van vraag en aanbod. Als het economisch goed gaat, stijgt de productie in de industrie en de vraag naar energie. Dan worden de CO2-rechten schaars en neemt de druk op ondernemers toe om te investeren en de uitstoot omlaag te brengen.

Het lullige van economische groei is dat die nooit een rechte lijn volgt. In juni 2008 tikte de Europese CO2-prijs de € 30 per ton aan maar toen 3 maanden later de hypothekencrisis escaleerde tot een financiële crisis en vervolgens een Eurocrisis, stortte de industriële productie in. Daarmee zakte ook de CO2-prijs als een plumpudding in elkaar.

Prijsontwikkeling EU-ETS 2008-2018, via Sandbag

Terwijl de ‘echte economie’ vanaf 2013 weer aardig aantrok, had de CO2-prijs vijf jaar extra nodig om weer een beetje op stoom te komen. In deze 5 jaar dat het CO2-intensieve bedrijven voor de wind ging, ontbrak elke prikkel om beschikbare middelen te investeren en te innoveren op het vlak van duurzaamheid. Pas nu zal dit thema in de directiekamers weer voorzichtig op de agenda komen.

Vervolgens duurt het nog jaren eer nieuw beleid daadwerkelijk is goedgekeurd, uitgewerkt en doorgevoerd. Dikke kans dat een nieuwe crisis tussendoor al roet in het eten gooit. Crises hebben nu eenmaal de neiging elke 7 à 10 jaar toe te slaan.

De extra onzekerheid van een bedachte markt

CO2-handel is in theorie een fantastisch pressiemiddel om verduurzaming af te dwingen. Toch doet het ETS vooralsnog too little, too late. Wat de effectiviteit extra onzeker maakt, is dat de schaarse ruimte om CO2 uit te stoten in de basis virtueel is.

Lobbyisten zijn duur, effectieve lobby is goedkoop

Er is geen fysieke grens waarboven CO2 vanzelf weer terug de schoorsteen in stroomt, omdat de atmosfeer vol is. Het Europese CO2-plafond is een noodzakelijke maar wel puur politieke afspraak, tussen Europese landen. Landen buiten de EU voelen niets van onze CO2 prijs.

Als de prijs hoog oploopt, wordt CO2-intensieve import van buiten de EU goedkoper. Als de CO2-prijs zo hoog op loopt dat deze import Europese banen verdringt, moet je als politiek stevig in de schoenen om niet toch wat gratis uitstootrechten uit te delen of het plafond even wat op te krikken. Al is het maar tijdelijk.

Die wiggle room maakt dat een aantal bedrijven liever investeert in het bewerken van de politiek dan in het terugdringen van de CO2-uitstoot. Een goede lobby is al snel goedkoper dan een nieuw machinepark. Dat is al sinds de eerste plannen voor het EU-ETS gebleken. Dat weerhoudt vervolgens ook de meer welwillende bedrijven van investeringen in emissiereductie, innovatie en circulair ondernemen. Bij een lage CO2-prijs is er geen droog brood te verdienen met duurzaamheid.

Stabiliteit is cruciaal, desnoods op nationaal niveau

Naar aanleiding van het (destijds) al jaren voortkabbelende ETS heeft het kabinet Rutte III in het regeerakkoord van oktober 2017 aangestuurd op ondersteuning van de CO2-prijs. De voorgestelde CO2-minimumprijs komt naast de CO2-marktprijs en loopt tot 2030 op tot € 43 per ton. Als de op de markt vastgestelde CO2-prijs boven de minimumprijs ligt, heeft de Nederlandse maatregel geen effect.

Zakt de marktprijs eronder – bijvoorbeeld door een nieuwe economische crisis- dan betalen bedrijven CO2-belasting aan de schatkist. Zo zijn investeringen in klimaatbeleid geborgd, ook als het economisch minder gaat. Belangrijk, want het is naïef te denken dat we tot 2050 geen economische crisis meer zullen meemaken.

Overdrijven is een vak. Dat vak heet ‘public affairs’

De minimumprijs biedt kortom de stabiliteit en voorspelbaarheid waar bedrijven met grote publieke duurzaamheidsambities altijd om vragen. Met het belangrijke verschil dat het nu niet om subsidies gaat maar om bedragen die de ETS-plichtige bedrijven sowieso moeten betalen voor elke ton CO2.

Ietwat flauw maar niet verrassend dat de lobbymachines op volle toeren draaien om de implementatie van de CO2-minimumprijs te voorkomen. De lobby gebruikt op zich terechte argumenten: Er ontstaat niet alleen tussen Europa en de buitengrenzen maar ook binnen Europa een ongelijk speelveld. En een lagere CO2-uitstoot in Nederland dankzij een eenzijdige nationale belasting resulteert niet noodzakelijkerwijs in minder CO2-uitstoot binnen het EU-ETS als geheel.

Lichtjes ongelijk speelveld verstevigt concurrentiepositie

Hoewel terecht, zijn bovengenoemde argumenten overtrokken. De voorgestelde, voorspelbaar oplopende, minimumprijs is alleszins redelijk. Ter referentie: Een CO2-prijs van € 43 per ton maakt elektriciteit uit een gascentrale in 2030 slechts 0.7ct/kWh duurder dan vandaag. De impact op producten met een grotere toegevoegde waarde is nog kleiner.

Laat ik de politici die over dit heikele thema moeten besluiten daarom dit meegegeven:

  • Ja, met een nationale CO2-prijs zijn Nederlandse bedrijven in potentie een beetje in het nadeel.
  • Elk land in Europa heeft zich gecommitteerd aan het klimaatakkoord van Parijs.
  • Het nadeel van een nationale CO2-prijs voor Nederlandse bedrijven is dus hooguit tijdelijk.

In 2050 moet de uitstoot van de hele EU met 95 procent gereduceerd zijn. Het ergste dat Nederlandse bedrijven met een CO2-minimumprijs kan overkomen is dat zij een miniem deel van de investeringskosten voor die CO2-reductie iets eerder moeten nemen dan Europese concurrenten. Als bedrijven in Nederland – zoals veelvuldig geclaimd – tot de meest efficiënte en schoonste van de wereld behoren, is investeren niet eens nodig om de concurrentie bij € 43 per ton bij te houden. Als de gesuggereerde voorsprong toch tegenvalt, is de minimumprijs de uitgelezen kans om alsnog uit te lopen op de concurrentie.

Garandeer CO2-neutrale toekomst

En als in 2030 – tegen alle verwachtingen in – blijkt dat het pad naar 0 CO2 in 2050 véél goedkoper te bewandelen is dan voor € 43 per ton, stellen we het beleid echt wel bij.

Laat je dus niet verblinden door de stevig gestegen CO2-prijs. Da’s top maar nu al een resultaat uit het verleden. Innoverende bedrijven zoeken garanties voor de toekomst. Elke aarzeling om de CO2-beprijzing op lange termijn te ondersteunen, benadeelt de bedrijven die we echt willen overhouden aan het eind van de energietransitie.

Imagecredit: Antonio Lainez, via Unsplash Public Domain

You may also like...