Toch onderhandelingen met uitbaters kolencentrales i.v.m. Urgenda

EdgarCurious, via Pixabay
Opnieuw relevant: 2 april 2020
Op 28 maart 2020 maakte het kabinet bekend maatregelen om te voldoen aan het Urgenda-vonnis i.v.m. COVID-19 uit te stellen. Daarop komt het kabinet nu terug. De NOS meldt dat er gesprekken lopen met de exploitanten van de laatste Nederlandse kolencentrales over sluiting of substantieel afschalen van de productie ten bate van de inzet van minder CO2-intensieve gascentrales. Hieronder mijn argumenten van 2 februari 2020 voor sluiting van Nederlandse kolencentrales.

Is het wijs de Nederlandse kolencentrales als allerlaatste te sluiten?

Met de sluiting van de Hemweg-kolencentrale, het verbod op kolenstroom vanaf 2030 en het vonnis van de Hoge Raad in de klimaatzaak laait de discussie over het sluiten van Nederlands nieuwste kolencentrales de laatste weken weer op.

De meest vuile kolencentrales eerst?

In 2018 waren vijf kolencentrales samen goed voor zeker 10% van de Nederlandse broeikasgasemissies, met in totaal 21,9 megaton CO2-uitstoot. Dat is veel te veel. Onnodig veel te veel.

Per kilowattuur puffen kolencentrales dubbel zoveel CO2 uit als gascentrales. Als we alle elektriciteitsproductie door kolencentrales aan gascentrales zouden laten, daalt de totale Nederlandse CO2-uitstoot direct met ten minste 5%.

Drie van de Nederlandse kolencentrales zijn opvallend genoeg in gebruik genomen ná het eerste vonnis in de Urgendazaak. Vervroegd sluiten van kolencentrales is nu de enige reële (resterende) kans om dit vonnis nog uit te voeren. De sluiting van de Hemweg, eind 2019, is wat dat betreft een mooie eerste stap. Hoe sneller de overige vier volgen hoe beter. ‘Maar dat is véél te makkelijk gedacht’, zal elke energie-expert nu uitroepen. Terecht?


Is afscheid nemen van steenkool complex, of moet het complex lijken?

Over de wijze waarop besloten is drie nieuwe kolencentrales te bouwen, publiceerde NRC 1 februari 2020 een uitgebreide reconstructie. Ook een recente podcast van Studio Energie daarover is het terugluisteren waard. Of het destijds nu goed of fout was om die kolencentrales te bouwen maakt voor de huidige situatie weinig uit. Ze zijn gebouwd en ze draaien.

Ligt de kolenexit werkelijk zo gevoelig?

Met de kennis van nu staan ze klimaatbeleid in de weg. Aandeelhouders overigens ook. Een groot deel van de investering (samen ruwweg € 6 mrd) in de drie splinternieuwe centrales is al kort na oplevering afgeschreven.

Toch gaan er pragmatische stemmen op om de moderne kolencentrales, nu ze er eenmaal staan, wel goed te benutten. Ook tot na 2029, het nu vastgestelde exitjaar voor kolenstroom in Nederland. Voor een deel hangt dat samen met de strijd die bepaalt wie de financiële consequenties en het gezichtsverlies van vroege sluiting moet dragen, voor een deel met import en export van elektriciteit, emissiehandel, leveringszekerheid en uiteenlopende generaties kolencentrales in het buitenland.

In de wereld van klimaat en energie hangt inderdaad alles met alles samen. Als een kwestie in het voor- of nadeel van sluiting is beslecht, dient zich direct de volgende kwestie aan. Maken we het niet veel complexer dan het is?


Kwestie1.
Kan Nederland überhaupt zonder kolencentrales?

Nederland heeft na de sluiting van de Hemweg nog 4 gigawatt (GW) aan operationele kolencentrales. De Amercentrale van RWE (0,6 GW, operationeel sinds 1993) stopt volgens de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie, uiterlijk eind 2024 met kolenstook. De moderne centrales op de Maasvlakte van Uniper (1,1 GW, 2016) en Riverstone (0,8 GW, 2015) en de Eemshavencentrale van RWE (1,6 GW, 2015) zijn uiterlijk eind 2029 omgebouwd of gesloten.

Figuur 1 (Tennet)

Per 1 januari 2030 moet Nederland het dus sowieso zonder kolencentrales stellen. Is dat spannend? Het gemiddelde elektriciteitsverbruik in Nederland is zo’n 13 GW, voor de piekvraag rekent Tennet inzake leveringszekerheid met 19 GW. Zo’n piek kan net op een moment vallen dat wind- en zonneparken helemaal niets leveren. Om zeker te zijn dat dan toch het licht blijft branden heeft Nederland dus minimaal 19 GW ‘regelbaar’ vermogen, zoals kolen-, kern-, afvalverbranding-, biomassa-, gascentrales of betrouwbare import nodig.

Figuur 1 toont het opgesteld productievermogen in 2019 en de verwachting voor de komende jaren (dit rapport van Tennet laat in het midden of kolencentrales worden omgebouwd tot 100% biomassastook). Nederland heeft nu ±21 GW vermogen waar we ‘van op aankunnen’ en nog eens ±3 GW ‘in de mottenballen’. Deze gascentrales (geconserveerd vermogen) draaien om economische redenen nu niet maar kunnen bij een verbeterde markt binnen grofweg een half jaar weer online zijn. Als de kolencentrales sluiten en de geconserveerde gascentrales weer online komen, houdt Nederland netto ±20 GW regelbaar vermogen over. Daarnaast heeft Nederland zo’n 7 GW grensoverschrijdende hoogspanningsverbindingen, waarover buitenlandse leveranciers eventueel kunnen bijspringen.

Conclusie kwestie 1

Ruim 20 GW Nederlandse capaciteit + 7 GW grenscapaciteit moet genoeg zijn om de piek van 19 GW ten alle tijde te kunnen opvangen. Ook als op het moment van de piek een of twee gascentrales in storing liggen en wind en zon niets bijdragen. Technisch gezien zou Nederlandse elektriciteit nog voor de zomer van 2020 steenkoolvrij* kunnen zijn.

Omdat ook verouderende gascentrales uiteindelijk definitief uit bedrijf gaan en tegelijkertijd het stroomverbruik door elektrificatie vermoedelijk gestaag toeneemt, is het na 2025 wel wenselijk dat er regelbare (niet-kolengestookte) eenheden bijkomen. Dat kan biomassa, kernenergie of gasgestookt vermogen (aardgas, biogas, ammoniak, etc.) zijn

*De Amercentrale levert naast elektriciteit ook warmte en kan niet volgend jaar al uit zonder omwonenden in de kou te zetten. Deze centrale draait inmiddels echter op 80% biomassa. Na sluiting van de 3 moderne centrales blijft daarom effectief 0.1 GW kolengestookt vermogen over (en bovendien ook 0.6 GW extra regelbaar vermogen).


Kwestie 2.
Is het terecht te claimen dat Nederlandse kolencentrales de aller allerschoonste zijn?
Het blijven kolencentrales

De drie nieuwste kolencentrales van Nederland zijn opgeleverd in 2015 en 2016, uitgerust met state of the art techniek. Alle optimalisaties uit ruim een eeuw ervaring met kolenstroom zitten erin.

De verbrandingsoven, stoomcyclus en rookgasreiniging zijn daarmee beter dan die van oudere centrales. Wat betreft fijnstof, stikstofoxiden en andere emissies die direct schadelijk zijn voor milieu en gezondheid zijn deze centrales echt schoner. De voor klimaatverandering relevante CO2-uitstoot laat de rookgasreiniging echter ongehinderd door.

Dankzij de hogere efficiëntie ligt de CO2-uitstoot desondanks ook lager dan bij oudere centrales. Uitgaande van de ontwerpefficiëntie van 46% komt de uitstoot per geproduceerde kilowattuur (kWh) uit op ±745 gram CO2. Oudere centrales zoals de Amer, de Hemweg en generatiegenoten in Europa uit de jaren ’90 stoten ±815 gr CO2/kWh uit. Centrales die geen steenkool maar bruinkool verstoken, komen tot 1.000 of zelfs 1.250 gr CO2/kWh.

De praktijk blijkt echter weerbarstig. Tegenover de 21,9 megaton CO2-uitstoot stond in 2018 27,2 miljoen kWh kolenstroom. Dat betekent dat de 5 kolencentrales samen gemiddeld 805 gr CO2/kWh hebben uitgestoten. Aangenomen dat de productie gelijkelijk is verdeeld over de (destijds) 1,2 GW oudere kolencentrales en de 3,4 GW moderne centrales is welhaast zeker dat de uitstoot van de drie moderne kolencentrales in de praktijk dichter bij de 800 dan bij de 745 gr CO2/kWh ligt.

Conclusie kwestie 2

Ten opzichte van de generatie Amer en Hemweg zijn de nieuwe kolencentrales inderdaad schoner, al is het verschil qua CO2 in theorie gering en in de praktijk nog geringer. Ten opzichte van (buitenlandse) bruinkoolcentrales geldt zowel voor de nieuwste als voor de oudere steenkoolcentrales wel een substantieel verschil: 20-35%.


Kwestie 3.
Is het rationeel centrales te sluiten terwijl India en China nog nieuwe kolencentrales bouwen?

De situatie in India, China en Nederland kent meer overeenkomsten dan misschien gedacht. Er is ook in India en China sprake van overcapaciteit. De benutting van kolencentrales ligt er zelfs substantieel lager dan die in Nederland. Niet het aantal kolencentrales maar het volume kolen dat daadwerkelijk verbruikt wordt is bepalend voor de CO2-uitstoot. De moderne centrales die India en China nog bijbouwen, zullen marktaandeel van de oudere centrales afsnoepen. Daarmee raken verouderde centrales overbodig. Eerst en vooral goed voor de lokale luchtkwaliteit. Ook helpt het de CO2-uitstoot iets omlaag.

Wat betreft de eventuele relatie tussen Nederlandse en Aziatische kolencentrales: Het is welhaast zeker dat China en India geen kilo steenkool minder verstoken als Nederland besluit zijn kolencentrales in bedrijf te houden. Andersom is een effect nog denkbaar. Als (meerdere) Europese landen besluiten kolencentrales ruim binnen de technische levensduur te sluiten, geeft dat China en India mogelijk aanleiding om nieuwbouwprojecten te heroverwegen.

Conclusie kwestie 3

Het is voor het besluit om Nederlandse kolencentrales te sluiten schier-irrelevant wat China en India doen. Voor zover dit besluit überhaupt invloed heeft op de situatie in Azië, is dat hoogstvermoedelijk een bescheiden positieve invloed.


Kwestie 4.
Is het rationeel centrales te sluiten zolang er in Oost-Europa veel vuilere kolencentrales draaien?

In onder meer Polen, Estland en Bulgarije draaien nog echt oude bruincentrales, die per kilowattuur substantieel meer CO2 en andere meuk uitpuffen dan de relatief nieuwe Nederlandse centrales. Het zou zeker goed zijn als die snel sluiten. Net als in relatie tot China en India is echter de vraag hoe sterk de relatie tussen de Nederlandse en de Oost-Europese kolencentrales is.

Hoewel heel Europa via het elektriciteitsnet verbonden is, is het niet bijzonder zinvol om Nederlandse kolenstroom aan de Bulgaren te leveren. Voordat de in Nederlandse kilowatturen in Bulgarije zijn, is er onderweg al zoveel energie aan netverliezen verloren dat de CO2-winst nihil of afwezig is. Net als voor China en Azië kan sluiting van kolencentrales in Nederland de Polen, Esten en Bulgaren ook aanleiding bieden nog eens over de eigen elektriciteitsproductie te denken.

Conclusie kwestie 4

De relatie tussen Nederlandse en Oost-Europese kolencentrales is te gering* om je over een volgordelijkheid in het sluiten ervan druk te maken.

*Naast via het fysieke elektriciteitsnet zijn elektriciteitscentrales via het Emissiehandelssysteem (ETS) ook aan elkaar gelinkt. Juist omdat fysiek vervangen van de productie in deze casus geen reële optie is, zijn ook aan het ETS gerelateerde bezwaren (kwestie 7) minder relevant.


Kwestie 5.
Is het rationeel centrales te sluiten met het risico dat we Duitse bruinkoolstroom terugkrijgen?

Voor de vuilste kolencentrales hoeven we niet helemaal naar het voormalige Oostblok. Onze eigen oosterburen hebben nog zo’n 20 GW aan bruinkoolcentrales in gebruik. Een groot deel daarvan direct over de grens, in het Ruhrgebied. Als wij onze kolencentrales op korte termijn sluiten, nemen deze Duitse smeerpijpen de productie vrijwel zeker deels over.

Dat daarover weinig twijfel bestaat, komt omdat we al jaren elektriciteit uit deze centrales importeren. Tussen Nederland en Duitsland ligt zo’n 4 GW aan grenscapaciteit en de Nederlandse en Duitse elektriciteitsmarkten zijn sterk gekoppeld. Omdat bruinkoolstroom jarenlang goedkoper was dan kilowatturen uit onze eigen gascentrales, importeerde Nederland veel. Nu afgelopen jaar de gasprijs laag en de CO2-prijs hoog was, kakte de productie van de Duitse bruinkoolbakken juist een beetje in.

Figuur 2 (Bron: Handelsblatt)

Duitsland is van plan (zie Figuur 2) voor eind 2022 5 GW aan bruinkoolcentrales te sluiten en daarna voor eind 2030 nog eens 6 GW. In dezelfde periode bouwt Duitsland ook zijn steenkoolvermogen af, van 22,7 GW in 2017 naar 8 GW in 2030. In 2038 moeten de laatste Duitse kolencentrales van het net zijn. Tot die tijd blijft er een risico bestaan dat Duitsland kolenstroom naar ons exporteert. Zo lang Nederland geen kolencentrales heeft en Duitsland wel, bepaalt de markt voor brandstoffen en CO2 of wij kolenstroom ontvangen of elektriciteit uit onze gascentrales exporteren aan Duitsland.

Hoe de markt zich de komende jaren precies zal gedragen is niet te zeggen. Dat het merendeel van de productie van onze gesloten kolencentrales overgaat aan de Duitse bruin- of steenkool centrales is niet waarschijnlijk. Nu het aandeel wind en zon serieus doorgroeit en ook de CO2-prijs permanent lijkt te tellen, is de kans groter dat de veel schonere en flexibele Nederlandse en Duitse gascentrales de bulk van de productie overnemen. Daarbij: als je rationeel puur op CO2-reductie gericht bent (en dus geen boodschapt hebt aan nationale doelstellingen) maakt het, juist vanwege de sterk gekoppelde markt, weinig uit of Nederland of Duitsland als eerste kolenvermogen sluit. Elke gesloten kolencentrale maakt de elektriciteit op de Duits-Nederlandse markt schoner.

Bovendien bestaat het risico op vuilere stroom uitsluitend op de grens met Duitsland. Met België, Noorwegen, Groot-Brittannië en Denemarken hebben we ook stevige hoogspanningsverbindingen. Import over die lijnen is praktisch altijd minder CO2-intensief dan de stroom wij over die verbindingen exporteren. Tot slot geldt ook hier dat een Nederlands besluit tot een extra vroege sluiting Duitsland kan inspireren dat voorbeeld te volgen. Gezien de banden tussen Nederland en Duitsland is dat scenario aanmerkelijk realistischer dan beïnvloeding van China of Bulgarije.

Conclusie kwestie 5

De Nederlandse kolenstroom is daadwerkelijk schoner dan de Duitse. Afstemmen van de volgorde van sluiten kan lonen. Omdat die afstemming er vrijwel zeker in resulteert dat het langer duurt voordat de eerste centrale dicht gaat, kan Nederland echter alsnog beter het goede voorbeeld geven en gewoon het voortouw nemen.


Kwestie 6.
Is het rationeel centrales te sluiten die bijdragen aan 14% hernieuwbare energiedoel voor 2020?

Voormalig minister van Economische Zaken Henk Kamp maakte zich sinds het Energieakkoord van 2013 tot aan het eind van zijn ambtstermijn in 2017 sterk voor het voortbestaan van de kolencentrales. Het hoofdargument van Kamp was dat die (via biomassa-bijstook) cruciaal zijn om aan de Europese opdracht van 14% hernieuwbare energie in 2020 te voldoen.

Niet alles kan

In de tijd van Kamp was dat een redelijk valide argument. Inmiddels is echter duidelijk dat Nederland sowieso niet aan die opdracht gaat voldoen.

Over 2019 kwam het aandeel hernieuwbaar uit op 8,6%, slechts 1,2 procentpunt meer dan in 2018. Bijstook van houtpellets in kolencentrales gaat ons niet over de streep trekken. Wat we ook doen met de kolencentrales, Kamps opvolger Wiebes moet hoe dan ook met hangende pootjes naar Brussel om te melden dat het niet gelukt is.

Ondertussen is de discussie over bijstooksubsidies verder opgelaaid en is het in de huidige markt ontzettend moeilijk hard te maken dat de biomassabijstook überhaupt resulteert in CO2-reductie. Het in bedrijf houden van de biomassa-kolencentrales botst daarmee welhaast zeker met het Urgendadoel van 25% CO2-reductie in 2020. In dat licht relevant; Een recente analyse van de eRisk Group (in opdracht van Eneco) suggereert dat de biomassasubsidie (en het ETS-voordeel dat daar uit voortvloeit) de enige strohalm is die de kolencentrales nog economisch levensvatbaar houdt.

Conclusie kwestie 6

Nederland heeft in 2019 op meerdere vlakken moeten erkennen dat niet alles kan. Kiezen en dan handelen is cruciaal. In dit geval is er de keuze tussen missen van het EU-doel met een paar procent minder of het halen van het Urgenda-doel. Annuleren van de bijstooksubsidies en voldoen aan ‘Urgenda’ lijkt qua publieke opinie een politieke tweeklapper.


Kwestie 7.
Loont het centrales te sluiten als het ETS-waterbed de CO2-uitstoot sowieso op peil houdt?

Elektriciteitsproducenten en grotere industriële bedrijven zijn in Europa gebonden aan het Emissions Trading System (ETS). Het ETS stelt een bovengrens aan de hoeveelheid CO2 die deze sectoren in heel Europa samen jaarlijks mogen uitstoten. Dat plafond staat vast, er is elk jaar een maximum aantal rechten om CO2 uit te stoten beschikbaar.

Een politiek waterbed

EU-lidstaten kennen jaarlijks een groot deel van de emissierechten gratis toe aan grootverbruikers actief binnen de eigen landsgrenzen .

Fabrieken die aan deze cadeau-emissierechten niet genoeg hebben, moeten de markt op. Europese gas- en kolencentrales moeten voor alle benodigde rechten sowieso de markt op. De CO2-markt ontstaat omdat er ook fabrieken zijn die een deel van de gratis rechten overhouden (en dus verkopen) en omdat landen aanvullend rechten kunnen veilen.

Omdat het aantal rechten vaststaat, staat in theorie ook de totale jaarlijkse uitstoot van de Europese industrie en elektriciteitssector vast. Als Nederlandse kolencentrales sluiten, staan de CO2-rechten die deze kolencentrales nu niet meer gebruiken ter beschikking van de markt. Een Griekse cementfabriek, Ierse gascentrale of Duitse bruinkoolcentrale kan deze opkopen en alsnog verbruiken.

Tegenover de toch best ingrijpende sluiting van de Nederlandse kolencentrales staat zo effectief geen enkele CO2-reductie. Dat staat bekend als het waterbedeffect, of als weglek van CO2-reductie.

Het is vooral dit argument dat vaak door de exploitanten van de kolencentrales in kwestie wordt aangehaald om de politiek bij te les te houden. Tamelijk gedurfd; Als het sluiten van kolencentrales dankzij het ETS ‘geen zin’ heeft, heeft het bijstoken van biomassa in deze kolencentrales ook ‘geen zin’. Ook de rechten die vrijvallen omdat er geen kolen maar CO2-neutrale biomassa wordt gestookt, komen beschikbaar voor alle andere elektriciteitscentrales en fabrieken.

Gegijzeld in emissiehandel

Tegenover de voor de kolencentrales belangrijke € 3,6 mrd aan subsidie voor houtpellets staat (in dezelfde lijn van redeneren) effectief geen enkele CO2-reductie. Hetzelfde geldt overigens voor subsidies op wind- en zonneparken.

En daar kun je best cynisch van raken. Tot je bedenkt dat het ETS een markt is. Emissierechten die vrijvallen omdat ze niet meer door kolencentrales worden opgebruikt, kun je ook kopen en vernietigen zónder dat daar CO2-uitstoot tegenover staat.

Alleen is het ETS geen markt. Geen echte markt. Het is een politiek gebeuren. Onderdeel van dat gebeuren is de market stability reserve, een black box waar de Europese emissiemarktmeester emissierechten tijdelijk kan stallen en waar vanuit de marktmeester ook rechten weer terug op de markt kan brengen. De voorwaarden daarvoor zijn nog niet geheel zeker. De voorwaarden waarop deze voorwaarden eventueel in de toekomst kunnen wijzigen ook niet.

Het gevolg is dat als een lidstaat (of individu) aanvullend klimaatbeleid wil voeren in de ETS-sectoren, dit by design niet of nauwelijks effect heeft op het totaal aan CO2 dat binnen de Europese elektriciteitsproductie en industrie wordt uitgestoten. Voorstanders menen dat dat een kracht van het systeem is. Additionele ingrepen gaan in tegen de geest van het systeem. Ondermijnen volgens boze tongen zelfs het vertrouwen in het ETS, dat toch ontegenzeggelijk grote successen heeft geboekt.

De keerzijde is dat een groot deel van de beleidsruimte van 28 lidstaten is gegijzeld in het ETS. Dat het ETS geen echte markt is, biedt echter ook hoop. De Europese politiek heeft vastgesteld (en later bijgesteld) in welk tempo het aantal beschikbare emissierechten jaarlijks afneemt. Dus de Europese politiek kan dat tempo opnieuw aanpassen. De emissierechten die vrijvallen bij de sluiting van kolencentrales hebben een dempend effect op de marktprijs voor CO2. Een lage CO2-prijs maakt het politiek verkoopbaar om het plafond sneller te laten zakken.

Conclusie kwestie 7

Het is waar dat het sluiten van een kolencentrale dankzij het ETS-waterbed niet gegarandeerd in minder CO2-uitstoot resulteert. Dat betekent niet dat het sluiten van kolencentrales geen goed idee is. Het toont aan dat het ETS gebreken kent. Kolencentrales sluiten, ondanks de ongewisse CO2-reductie, voert de druk op om die gebreken te verhelpen.


Kwestie 8.
Kunnen we het maken om 3 gloednieuwe kolencentrales al na 5 jaar te dwingen tot stoppen?

De drie nieuwe kolencentrales die in 2015 en 2016 zijn opgeleverd, hebben samen naar schatting € 6 mrd gekost en houden zo’n 1.000 mensen aan het werk. Het is voor de exploitanten ontzettend balen om een investering van dergelijke omvang versneld af te schrijven. Het is voor de werknemers frustrerend opzoek te moeten naar een nieuwe baan.

Het is echter van belang te begrijpen dat de bouw van de drie nieuwe kolencentrales ons niet is overkomen. Het feit dat het verbranden van steenkool een onverantwoord sterke bijdrage aan klimaatverandering levert, is geen ontdekking van de laatste jaren. Ruim voordat het te laat was, zijn er over de voorgenomen nieuwbouw vele debatten, rechtszaken en acties gevoerd (zelfs een nu ondenkbaar zwartepietenprotest, zie video).

Sunk costs zijn ook hier sunk costs

Desondanks besloten 3 energiebedrijven tot de bouw van 3 nieuwe kolencentrales. Desondanks besloot de overheid de bouw van 3 nieuwe kolencentrales te vergunnen.

Omdat het om heel veel geld gaat, is het pijnlijk te erkennen dat het een onjuist besluit geweest is. Toch is het gebeurd. De bouw van de kolencentrales is niet meer terug te draaien. De miljardeninvestering is niet meer terug te draaien. De bijna 100 megaton CO2 die door de centrales de afgelopen 5 jaar is uitgepuft, is niet meer terug te halen. Stuk voor stuk sunk costs.

De enige invloed die rest, betreft de toekomst. De tientallen megatonnen CO2 die de centrales tot 2030 nog gaan uitstoten, zijn te voorkomen. In goed overleg met de exploitanten en de vakbonden. Zo snel er voor de medewerkers een acceptabele oplossing voor handen is, kunnen de centrales uit. In de mottenballen. In afwachting van de financiële en juridische afwikkeling hoeven de centrales niet te draaien. In afwachting van het besluit om de centrales om te bouwen naar biomassa, hoeven de centrales niet te draaien.

Conclusie kwestie 8

Ondanks het gezichtsverlies en de economische schade kunnen de centrales nog dit jaar uit. Het is voor het vertrouwen van bedrijven in de Nederlandse rechtstaat wel van uitermate groot belang dat de overheid deze kwestie netjes oplost. Net zoals het voor het vertrouwen in de rechtstaat van belang is dat Nederland het Urgendavonnis naleeft.


Het is tijd afscheid te nemen van de kolenstook. Liefst dit jaar nog

Het is technisch mogelijk en economisch haalbaar de drie nieuwe kolencentrales nog in 2020 te sluiten. De leveringszekerheid is op relevante termijn prima te borgen. Van de originele € 6 mrd aan investeringen in de kolencentrales lijkt inmiddels ruim de helft afgeschreven. Een exitdeal tussen de overheid en de exploitanten lijkt, ook gezien de marktpositie van de kolencentrales, denkbaar voor een bedrag lager dan de € 3,6 mrd aan toegezegde bijstooksubsidies.

Wacht niet op elkaar

Ook helder: argumenten tegen sluiting met betrekking tot kolencentrales in China, India of elders buiten de EU snijden geen hout.

Met betrekking tot emissiehandel en markteffecten binnen de EU is een conclusie lastiger. Dankzij het ETS kan de CO2-reductie bij sluiting in het slechtste geval inderdaad nihil zijn. Anderzijds kan juist dat individuele lidstaten en de hele EU inspireren om meer vaart te maken. Dat we ons na 15 jaar ETS nog steeds druk maken over de volgorde waarop we kolencentrales zullen sluiten, toont glashelder aan dat effectiever klimaatbeleid mogelijk was geweest.

Het is tijd om de kolenstook te staken. Overal. Zo snel als dat praktisch mogelijk is. Wacht niet op elkaar.


Imagecredit: EdgarCurious, via Pixabay

Dit vind je misschien ook leuk...