RWE bouwt offshore windpark en betaalt Denemarken €380 mln

Tristan Stedman, via RWE

Het Duitse energieconcern RWE mag voor Denemarken het offshore windpark Thor bouwen. RWE bood aan het windpark van 1.000 megawatt te bouwen tegen een garantieprijs van 0,01 Deense kroon per kilowattuur (€0,001/kWh).

Meerdere biedingen op dezelfde lage prijs

Naast RWE was er ten minste een andere gegadigde die het windpark ook tegen €0,001/kWh wilde bouwen. Er kwam dus een loting aan te pas, die door RWE gewonnen is.

Het windpark van 1.000 megawatt is het grootste ooit in Deense wateren en komt naar verwachting vanaf 2025 gefaseerd in bedrijf, 20 kilometer uit de Deense westkust bij Thorsminde. Uiterlijk eind 2027 draait het project op volle kracht. Als het meezit tot in 2060. De vergunning geldt voor 30 jaar, met een optie op 5 jaar verlenging. Uitgaande van een capaciteitsfactor van 50% levert het project jaarlijks 4,4 miljard kWh, genoeg om het verbruik van 1,4 miljoen Deense huishoudens te dekken.


Zekerheid voor subsidieverlener en windparkbouwer

In maart 2021 keurde de Europese Commissie het Deense plan om dit project aan te besteden volgens een contract for difference (CfD) goed. De gedachte was dat tot maximaal 6,5 mrd Deense kroon (€870 mln) aan subsidie nodig zou zijn om het project rendabel te exploiteren. Onder de CfD-methodiek bieden potentiele ontwikkelaars van een energieproject een garantieprijs per kilowattuur waarvoor zij bereid zijn het project te exploiteren. Daarin lijkt de methodiek op het SDE-subsidiemodel dat Nederland hanteert: als de marktprijs lager is dan de garantieprijs, betaalt de subsidieverlener het verschil.

Wederzijdse garantieprijs

De CfD-methodiek biedt echter ook de subsidieverlener zekerheid. Als de marktprijs hoger ligt dan de garantieprijs, betaalt de exploitant het verschil aan de staat. Het is dus cruciaal om een realistische garantieprijs te bieden.

Deze Deense CfD kent naast de garantieprijs ook voor beide partijen een maximum totaalbedrag, voor het geval de marktprijs langjarig afwijkt van de garantieprijs. Voor de exploitant is dit bedrag vastgesteld op 2,8 mrd Deense kroon (€380 mln).


Windindustrie klaar om subsidie terug te betalen?

Met de door RWE geboden garantieprijs van net niet nul is welhaast zeker dat de marktprijs flink hoger zal liggen over de 20 jaar looptijd van de CfD. Na 20 jaar – of zo snel RWE via de CfD €380 mln heeft betaalt – mag het energieconcern het project over de rest van de vergunningsduur exploiteren tegen marktprijzen, dus als een subsidievrij (en CfD-vrij) windpark.

Gegeven de verwachte prijsontwikkelingen op de Europese elektriciteitsmarkt wordt het maximumbedrag dat RWE aan de Deense staat zou afdragen al in 2028 bereikt, 3 jaar na de eerste stroomlevering.  Subsidie zit er daarna ook niet meer in. RWE verwacht dus bovenop de naar schatting €2,4 mrd die de bouw van de windturbines zal kosten nog ruim geld over te houden om het kavel op zee te ‘huren’ van Denemarken.

‘Ja maar de kabel’

Net zoals in de olie- en gassector gebruikelijk is, lijkt nu ook de windsector klaar om te betalen voor de natuurlijke hulpbronnen die zij gebruikt.

De in het verleden uitgekeerde subsidie begint te renderen voor de belastingbetaler. En dat terwijl juist Denemarken qua windenergie al knap ‘vol’ is. Het land exporteert regelmatig nationale overschotten windstroom.


Toevoeging 20.45: Nog een tegenvaller voor iedereen die graag een scheut azijn door zijn koffie roert: RWE moet als exploitant van het (meer dan) subsidievrije windpark óók voor de exportkabels en de aansluiting op het Deense elektriciteitsnet betalen.


Toevoeging 21.15:  In totaal boden 6 partijen op dit project. Daarvan deed in ieder geval ook Ørsted mee aan de loterij. Ørsted was dus net als RWE bereid om tegen deze garantieprijs het windpark inclusief ‘kavelhuur’ te realiseren.


Bron: RWE, via OffshoreWind.biz, Deens Energieagentschap / Imagecredit: Tristan Stedman, via RWE

Dit vind je misschien ook leuk...